Moeten vermogende gepensioneerden meebetalen aan hun AOW?
Er is geen onderdeel van ons fiscale en socialezekerheidsstelsel dat zo gevoelig is voor de vergrijzing die we nu meemaken als de AOW. De Algemene Ouderdoms Wet werd in 1956 ingevoerd en op 2 januari 1957 kreeg de eerste gepensioneerde van minister Suurhoff zijn uitkering. Op dat moment was 8,6 procent van de bevolking 65 of ouder. Nu is 20,5 procent van de Nederlanders 65-plusser en het percentage neemt ieder jaar toe.
De AOW-premie van 17,9 procent wordt opgebracht door de werkenden, via de eerste schijf van de inkomstenbelasting. Voor wie de AOW-leeftijd bereikt, vervalt de premie en gaat het tarief van de eerste schijf (nu 35,82 procent) navenant omlaag.
Het aardige is dat nu een groter deel van de bevolking, namelijk 58,7 procent, in de leeftijdscategorie 20 tot en met 64 zit dan toen de AOW werd ingevoerd. In 1956 had Nederland vooral een heel jonge bevolking. Het bevolkingsaandeel van de groep 20 tot en met 64 was toen 53,6 procent.
Simpel gezegd moest die 53,6 procent voor de oudedagsvoorziening van de 8,6 procent 65-plussers zorgen. De verhouding was zes staat tot één. Nu is diezelfde verhouding drie staat tot één. Er zijn meer werkenden, maar het aantal gepensioneerden is veel harder gestegen.
Verhouding verslechtert
De verhouding tussen werkenden en niet meer werkenden blijft de komende jaren verslechteren. De vergrijzing zet door, hoewel dat niet komt omdat ’we steeds ouder worden’, zoals altijd wordt beweerd. De levensverwachting voor vrouwen bij geboorte is nu 83,3 jaar, maar in 2014 was zij ook al 83,3 jaar. Mannen worden nog wel iets ouder: 0,6 jaar in tien jaar tijd.
Maar slechte eet- en levensgewoonten gaan steeds meer hun tol eisen. Dat is de andere kant van de hoge materiële welvaart en de schermcultuur: meer obesitas, meer slechthorenden en meer bijzienden.
Tot het jaar 2000 waren de geïnde premies voldoende om de AOW-uitkeringen mee te betalen. Maar omdat het onwenselijk werd geacht de premie verder te verhogen dan de toen al geldende 17,9 procent, werd het tekort dat daarna ontstond uit de algemene middelen gedekt.
Dit heet ’fiscaliseren’. Het omslagstelsel (uitkeringen van een jaar betalen uit de premies van dat jaar) hield dus eigenlijk op te bestaan. Vorig jaar was het voor het eerst zo dat de bijdrage uit de algemene middelen (bijna 30 miljard euro) groter was dan het bedrag aan opgebrachte premies (minder dan 25 miljard euro).
Verder fiscaliseren
Wat nu te doen? Een ambtelijke adviesgroep, de Studiegroep Begrotingsruimte, stelde vorige maand voor om verder te fiscaliseren, door ieder jaar de AOW-premie met een procentpunt te verlagen bij een even hoog blijvende eerste belastingschijf, met als effect dat werkenden er niet op achteruitgaan, maar vermogende AOW-trekkers gaan meebetalen.
Dat lijkt me heel redelijk. In 1956 waren ouderen door de bank genomen nog arm te noemen, maar nu is er geen groep die zo’n groot vermogen heeft als die tussen 65 en 75 jaar. Met een gemiddeld vermogen van 265.000 euro steekt deze groep ver uit boven het landelijk gemiddelde van 135.000 euro.

